Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘NSB’

De enige oplossing voor de problemen van onze tijd is een nieuwe orde waarbij staatsgrenzen en volken voortaan samenvallen. Dat betekent volksverhuizingen op een schaal als in geen eeuwen is voorgekomen.” De leider sprak vol overtuiging en zijn gehoor reageerde enthousiast. Eindelijk stond een man op die zei waar het werkelijk op stond.


De Leider vervolgde zijn betoog: “Weg met de Noord-Afrikanen, weg met de Turken en de Marokkanen. Onze levensruimte moet weer van ons worden. Onze woningen bewoond door landgenoten en niet door vreemdelingen. Ons nationaal bewustzijn heeft behoefte aan versterking van het geestelijk fundament. De basis daarvoor is het volkenbeginsel. Ieder volk in een eigen gebied. Dat is de kern van ons Nieuw Nederlands Liberalisme.”

Al spoedig na deze toespraak waren er verkiezingen voor de Tweede Kamer en de Leider boekte een daverende winst. 20% van de stemmen. Tegenover de NOS verklaarde de grimlachende Leider: “De Islam streven er naar om de sharia in te voeren in ons land. Zij heeft de Nederlandse bevolking als vijand aangewezen. Dus zeg ik: Ik ben een vijand van de Islam en zal dat altijd zijn.”

Kort na de verkiezingen presenteerde de Leider een plan dat de verdwijning van de vreemdelingen moest bespoedigen. Hij lanceerde het “Saoedie Arabië-plan. De toenemende stroom moslims en hun voortwoekerende invloed vroegen om rigoureuze maatregelen. Het plan hield in dat alle ongewensten gedwongen en op kosten van het kapitaalkrachtige en zo aan fundamentalisten verknochte Saoedi-Arabië gedwongen moesten emigreren naar een Islamitische Staat.”

Gaat de geschiedenis zich herhalen?

De Leider in bovenstaand artikel is een aan onze actuele situatie aangepaste versie van Anton Mussert, voorman van de Nationaal Socialistische Beweging in de jaren 1933 – 1945. De zondebokken zijn veranderd van Joden in Moslims. Het Saoedie-Arabië plan de moderne versie van het “Guyana plan” waarin alle joden gedwongen moesten emigreren naar Brits- Frans- en Nederlands Guyana (nu Suriname).

Klik hier voor meer info over dit scenario.

.


Read Full Post »

Dit jaar bezocht ik de slagvelden van de eerste wereldoorlog in de omgeving van Romagne sous Montfacon in Noord-Frankrijk. Ik zag er de restanten van een aards filiaal van de hel. De Amerikaanse begraafplaats die ik er bezocht is de grootste in Europa. We zagen er bijna 15.000 kruizen. De tranen die mijn geliefde plengde waren een eerbetoon aan al deze levens die wreed werden geofferd door de idioten die oorlogen beginnen. We bezochten loopgraven in Vauquois, zagen de reusachtige kraters die door granaatinslagen werden veroorzaakt en bezochten er het bijzondere museum Romagne ’14-’18 van Jean-Paul de Vries. De oorlog waar wij in Nederland zo weinig van weten werd ineens springlevend. Meer dan tien miljoen mensen verloren het leven omdat een klein aantal machtige idioten meer macht en levensruimte meende te moeten krijgen.

In dezelfde periode las ik ’t Hooge Nest, waarin Roxane van Iperen de geschiedenis vertelt van de zussen Janny en Lien Brilleslijper. Twee Joodse vrouwen die samen in het verzet tegen de nationaal-socialistische waanzin terechtkwamen, onderdoken in Bergen en – toen die omgeving moest worden ontruimd vanwege de bouw van Hitlers Atlantikwall – in een deftige villa in de bossen van Naarden terechtkwamen: het Hooge Nest. Van daaruit bleven de zussen actief hulp en onderdak aan onderduikers verlenen. Giftig verraad deed hen uiteindelijk in handen van de nazi’s belanden.

Van Iperen kocht in 2012 samen met haar man het Hooge Nest. Tijdens de grondige renovatie, die nodig was om dit oude pand weer goed bewoonbaar te maken, ontdekten ze in vrijwel iedere ruimte verborgen luiken en schuilruimtes met kaarsstompjes, bladmuziek en verzetskrantjes. Er was maar één conclusie mogelijk: hier moest zich in de oorlog een heftige geschiedenis hebben afgespeeld.

Roxane van Iperen besloot op onderzoek uit te gaan en met een jarenlange speurtocht, die haar langs vele archieven leidde en in gesprek bracht met nabestaanden van de hoofdpersonen, wist zij de geschiedenis te reconstrueren. In romanvorm geschreven neemt zij de lezer mee naar een plein in de Amsterdamse Jodenhoek, waar in 1912 Joseph Brilleslijper (telg uit een circusgeslacht van rondtrekkende, Jiddisch sprekende muzikanten) en Fijtje Gerritse (dochter van vrome Friese joden die een avondwinkel drijven) hun eerste kind krijgen; dochter Rebekka ‘Lientje’ Brilleslijper.

Vanaf dat moment neemt van Iperen ons als het ware op in het gezin en volgen we Lientje en haar in 1916 geboren zus Janny gedurende het interbellum en de daaropvolgende wereldoorlog, waarin de Eindoplossing voor het jodenvraagstuk de dood van zes miljoen joden zou veroorzaken. De zussen zetten een van de grootste verzetsgroepen in Nederland op en al lezend krijgen wij een glashelder beeld van de grote gevaren waar verzetsmensen in verzeild konden raken, maar we zien ook hoe giftige haat mensen op kan jagen, stapje voor stapje de menselijkheid van de opgejaagden vernietigend tot zij zijn gereduceerd tot een prooi die in reusachtige gaskamers een gruwelijk einde vindt. De parallellen met het huidige tijdsgewricht dienen zich, zonder dat van Iperen dat benoemt, geregeld aan, wat de lezerservaring extra macaber maakt.

Verraad maakt een einde aan het onderduikproject in het Hooge Nest en we reizen aan de schrijfhand van Roxane van Iperen met Janny en Lien naar en door de door mensen geschapen hel. Van Naarden naar een Amsterdamse cel, waar we ook de zusjes Margot en Anne Frank ontmoeten, Westerbork en uiteindelijk met het laatste transport vanuit Drenthe naar Auschwitz, dat de zussen weten te overleven en uiteinddlijk belanden ze samen met zusjes Frank in Bergen Belsen. De schrijfster toont ons daar weliswaar net niet het hellevuur, maar ze schildert wel de onbarmhartige ontmenselijking, die geleidelijk ook Janny en Lien lijkt te gaan vernietigen.

De zusjes Frank overleven zoals bekend de helse ontberingen niet. Voor hen kwam de bevrijding te laat, maar wat is bevrijding als je de rest van je leven de herinnering aan de hel met je meedraagt? Wat is genadiger; de hel overleven of door de dood uit de hel gered te worden?

.


Read Full Post »

Vervolg op deel 3: En toen kwam de inval van de Duitsers

Op de ochtend van 19 mei 1940 werd Hendrik Scholten begraven. Heel Achterveld liep uit om de dorpsheld, die Hendrik door zijn tragische dood was geworden, te eren. Hendrik was niet de braafste jongeling van het dorp geweest. Hij had heel wat kattenkwaad op zijn naam staan, maar dat was ineens allemaal vergeten. Daardoor had de dominee niet zoveel moois om te bespreken en hij sprak dan ook vooral over de tragiek van een zo jong verloren leven. De vrouwen droogden onophoudelijk hun ogen en de mannen stonden met stijf opeengeklemde kaken te luisteren. Velen met gebalde vuisten. Meinderts blik was gericht op de grond vlak voor hem. Hij voelde dat er naar hem gekeken werd en durfde de blikken niet te trotseren.
Bij het verlaten van het kerkhof schudde de predikant allen de hand en sprak bemoedigende woorden. Tegen Meindert zei hij: “Het is nooit te laat om een fout in te zien, man. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, bedenk dat goed.”

Die middag ging Meindert met Jan mee voor een tochtje achterom. Net over de grens zat een kastelein verlegen om eieren en boter. Jan had Meindert gevraagd om mee te gaan, hij wilde eens rustig met hem praten en hoopte dat de emoties van die ochtend Meindert wat toegankelijker hadden gemaakt. Ze liepen niet zoals anders dwars door het weiland, maar maakten een grote omweg door het zuidelijker gelegen bos. In tijden als deze kon je beter niet gezien worden als je smokkelwaar naar de vijand bracht. Jan zag ‘Wirt Ströder’ trouwens helemaal niet als vijand. Hij kwam er al zeker tien jaar voor een stiekem zakcentje en was erg op de amicale gastvrije kastelein gesteld geraakt.
“We gaan pas terug as’t begint te schemeren,” zei Jan, “want ik wil nog een paar strikken zetten.” Hij keek Meindert aan en vervolgde: “Wat zei dominee tegen oew, bij het afscheid vanochtend?”
“Hie zei da’t nooit te laat is om fouten in te zien. En da’k beter halverwege kon omdraaien of zoiets. Maar ik vinne niet da’k fouten maak. Hendrik is door die lui uut Den Haag de dood ingejaagd. Zelf poetst ze de plaat, maar de kleine lui mot de kogels opvangen. Het wordt echt tijd voor een ommekeer. En as die er eenmaal is dan wil ik er een steentjen an bijdragen. Snap iej dat dan neet?”
Ze verlieten het bos en liepen zo onopvallend mogelijk pratend in de richting van Gasthof Am Holzplatz waar Wirt Ströder zijn nering deed. Er stonden twee soldaten bij de ingang van de Gasthof. Meindert hield in, maar Jan maande hem meteen om gewoon door te lopen. “Wie geen kwaad in de zin hef, den hoeft ook neet bange te wezen. Wij gaat door de achteringang. Gewoon vriendelijk groeten as we ze passeert.”
Jan keek de soldaten aan en bracht tot verbijstering van Meindert zijn rechter arm omhoog: “Heil Hitler,” klonk het krachtig uit Jans mond. De soldaten beantwoordden de groet. Toen ze het erf van de Gasthof opdraaiden stamelde Meindert: “Wat deed iej nou dan?”
Jan grijnsde toen hij de verbijstering van Meindert zag. “Ik heb ons beschermd. Wij bent immers in Duutsland en dan ku’j oew momenteel beter zo gedragen.”

Ze leverden de eieren en de boter af en Jan wist een gulden meer van de Wirt los te peuteren door te vertellen dat een Duitse majoor levensmiddelen was komen vorderen en dat ze daardoor minder voor zichzelf hadden. Ze kregen nog een Schnaps van de Wirt en tevreden fluitend liep Jan vervolgens de soldaten weer voorbij. Hij knikte dit keer vriendelijk, maar bracht niet opnieuw de Hitlergroet.
“Wanneer is die Duutse majoor bie jullie geweest?”
Jan keek hem aan, stak zijn duim in zijn mond en zoog er aan. “Da’s gewoon slim handel’n Meindert. Boerenslimheid hè?”
Ze spraken op de terugweg over Dientje Meijer, het Joodse meisje waar Hendrik verkikkerd op was. “Meindert beloof miej één ding. Wat iej ook doet, zorgt er voor dat de Duutsers Dientje niet in de handen kriegt. As iej ooit wat hoort dat veur dat meisje van belang kan wezen, dan moe’j dat meteen tegen mij zeggen, zodat ik haar en haar ouders kan waarschuwen.”
“Dat beloof ik je graag,” zei Meindert, “en dat kan’k ook beloven want de Nederlandse Joden lopen geen gevaar. Ook al kunt ze geen lid meer van de beweging zijn, ze bent niet in gevaar.”

Meindert geloofde heilig in de nieuwe tijd, die Mussert beloofde. Een tijd van eendracht en saamhorigheid. Een tijd waarin men weer trots op het Vaderland kon zijn. Waarin voor ieder werk en inkomen was. Dat Mussert die tijd lang niet voor ieder voorzag wilde Meindert niet zien. Daar kwam echter verandering in toen hij op 22 juni 1940 samen met zo’n 30.000 aanhangers van de NSB op de Goudsberg nabij Lunteren was voor de vijfde hagenspraak van Mussert. De naam die de nationaal-socialisten voor deze bijeenkomsten hadden gekozen verwees naar de oude gewoonte van de vrije Saksische boeren in Drenthe om op eigen initiatief openluchtvergaderingen uit te roepen. De hagenspraken van de NSB waren massabijeenkomsten waar de bezoekers zich konden verheugen op een kameraadschappelijk samenzijn en stichtelijke vorming middels de zorgvuldig door het hoofdkwartier geselecteerde sprekers.

Het was de eerste hagenspraak na de Duitse inval van zes weken daarvoor. Het was de eerste politieke manifestatie van de NSB onder Duitse bezetting en voor die gelegenheid omgedoopt tot Hagenspraak der Bevrijding. Voor het eerst zou Mussert zich in het openbaar uitspreken over de nieuwe politieke situatie.
Toen hij na vele sprekers en vele uren eindelijk het speciaal voor de hagenspraken gebouwde monumentale sprekersbalkon betrad, kon hij vrijer spreken dan ooit eerder, maar hij had gelijk ook veel te verliezen, want de Duitse bezetter had nauwelijks aandacht voor zijn NSB getoond. Mussert moest daarom spierballen tonen aan Berlijn.

In zijn toespraak nam hij nadrukkelijk stelling tegen de Brits-Joodsche macht en wees hij er op dat aansluiting bij Hitler voor een stamverwant Germaans volk voor Nederland het beste zou zijn. Daarbij moest ons land worden gezuiverd zodat het vrij kon zijn ‘van Joodschen invloed, vrij van Walen en vrij van kerkelijke heerschzucht op staatkundig terrein. De zuivering van Walen had vooral te maken met de wens van Mussert om Nederland met Vlaanderen samen te voegen tot een groter Nederlands Rijk.

Tijdens de toespraak van Mussert vloog bij toeval een Duitse bommenwerper over het terrein. Het publiek stond massaal op en juichte het vliegtuig toe. Toen de stemming er echt goed in zat, richtte de NSB-leider zich tot zijn gehoor: ‘Achten wij ons nog in oorlog met Duitschland? Ja of neen?’ Er klonk een volmondig ‘neen’. ‘Mooi!’ sprak Mussert krachtig. De bronzen ‘stormklok’ van 3300 kilo, bekostigd met giften van de leden, werd geschonken aan de opperbevelhebber van de Luftwaffe Hermann Goering ‘als een offer, dat wij met liefde brengen voor hen, die nu metterdaad ons Volk en ons Vaderland beschermen’.

In een vertrouwelijk nota voor Hitler schreef Mussert in augustus 1940 dat staatsgrenzen en volken voortaan moesten samenvallen en dat daarvoor volksverhuizingen noodzakelijk waren op een schaal als in geen eeuwen is voorgekomen. Waar hij op doelde waren planmatige en grootschalige deportaties vanuit racistische en geopolitieke motieven. De Nederlandse levensruimte moest zo veel mogelijk worden vrijgemaakt van Joden en Walen.

Mussert liep op dat moment zo ver vooruit op de latere antisemitische maatregelen van de bezetter, dat de Duitsers vertoning van de propagandafilm van de hagenspraak tot eind 1941 verboden. Uit angst voor imagoschade. Men wilde het Nederlandse volk niet onnodig provoceren.

Lees ook deel 5 (slot): Sluiten we opnieuw de grenzen?


Bronnen:
Historisch Nieuwsblad: Anton Mussert en de NSB
Villabouchina: Ir. Anton Adriaan Mussert
Go2war2.nl: Joodse NSB-ers


 

ScreenHunter_05 Jan. 19 14.02


Beeld: Pixabay

 

Read Full Post »

Vervolg op deel 1: Mussert zegt tenminste wat ik denk

Meindert Hesselink stapte na de kerkdienst in het gezelschap van zijn kameraden Jan te Kortschot en Hendrik Scholten café Het Gulle Glas binnen. Ze zochten een hoekje achterin, ver van de stamtafel waar een paar beter gesitueerden hun vaste plek hadden. Meindert had nieuws dat niet voor ieder oor bestemd was. Hij was zaterdagmiddag naar Lunteren geweest waar de leider van de NSB, Anton Mussert, persoonlijk aanwezig was en de massa had toegesproken.

“Die Mussert, da’s een goeie keerl,” begon Meindert zijn betoog. “Die zegt waar as ’t op staat.” Hij zweeg om zijn woorden goed bij Jan en Hendrik binnen te laten komen, maar nuchter als die twee waren, raakten ze niet onder de indruk.
“En waar staat ’t dan op, Meindert?”, wilde Jan weten.
“Het is allemaal de schuld van de regenten in den Haag. Die lui uit die politieke partijen. Die hebt ’t zo gemaakt, da’w niet meer één volk bent. Mussert zeg da’w ten onder gaat. Dat het chaos is waar as wij in ten onder gaan, as niet de besten van ons volk de schouders d’r onder zet en ons land naar een nieuwe toekomst brengt. En dat wil de beweging gaan doen.”
“Heeft iee nog wat gezegd over de Joden?” wilde Hendrik weten. Hij had in het geniep een oogje op Dientje Meijer, een meisje van Joodse komaf en Hendrik was bezorgd om de antisemitische geluiden die steeds vaker en steeds luider klonken.
“Jao, hij zegt dat de Joden in Nederland heel anders bent dan de Joden in Duitsland. Bij ons bent ze zeg maar zo ongeveer gewone Nederlanders. D’r bent ook joden lid van de beweging. Maar d’r bent in Duitsland ook een hele zoot andere Joden, met veel kapitaal. En die hebt schuld an de crisis en die zult er veur boeten, wat ik je zeg.”

Anton Mussert hield voor de inval door de Duitsers zijn gehoor steevast voor dat de NSB niet antisemitisch was. “De toestanden zijn hier te lande op dit punt nu eenmaal geheel verschillend met die in Duitsland. Nederland kent een gehele categorie van Nederlandse Joden ….. die Nederlands voelt, denkt en in wezen Nederlands is, maar er is ook een grote, zeer grote groep Joden die … vooraanstaan in de bestrijding van onze beweging.”

“Van die zijde zult gij, Joodse NSB’ers, voor de voeten geworpen krijgen dat gij … heult met de vijand van uw ras… Uw antwoord kan eenvoudig zijn: Juist wij zijn het die door mede te werken aan de NSB… daadwerkelijk tonen dat het nationaal-socialisme in Nederland niet antisemitisch behoeft te zijn en te worden… Gij hebt uw plaats in onze gelederen uit volle overtuiging ingenomen, blijft deze plaats waardig en ge zult voldoening hebben, uw plicht te hebben gedaan tegenover al onze volksgenoten ondanks verdachtmaking en hoon.”

Hendrik leek gerustgesteld door wat Meindert vertelde.
“D’r bent dus goeie Joden en slechte Joden? Begrijp ik dat goed? En de Joden hier dat bent de goeie?”
“Nee, dat heb ie niet helemaal goed begrepen, Henke, d’r bent behoorlijk wat Joden die bij de beweging zijn. Dat bent de goeien.”
“Oh, zo…. dus…..” Hendrik had op een ander antwoord gehoopt. De zorgen om Dientje Meijer werden er niet minder door. Zij waren zeker geen lid van de NSB. Dientjes vader moest niks hebben van ‘die ingenieur, die intelectuele fascist’ en Hendrik begreep uit de woorden van Meindert dat de familie Meijer alle reden tot bezorgdheid had. Hij kon zich niet inhouden en snauwde Meindert recht in het gezicht.
“Wat leven wij toch in een rottige wereld.”
“Ja, Henke, daar heb ie geliek in,” antwoordde Meindert, die geen idee had wat Hendrik werkelijk bedoelde. “Daarom ben’k ook bij de beweging gegaan. Het bent rotte tijden, maar daar kump een eind an en dan wil ik meewerken aan de nieuwe tijd. De tijd dat wij weer één natie bent, één volk en dat wij niet meer hoeft te leven onder de tirannie van het Joodse kapitaal.”

Wordt vervolgd in deel 3: En toen kwam de inval van de Duitsers


Bronnen: Toespraken Anton Mussert Anton Mussert en de NSB   . ScreenHunter_06 Jan. 17 20.44


Beeld: videostill uit Hagespraak te Lunteren (1940)

 

Read Full Post »

Alle personen en locaties in de verhalende gedeeltes van de serie Wereld op drift zijn fictief. Elke gelijkenis met bestaande personen berust derhalve op toeval. De gebeurtenissen zelf zijn niet fictief en via de bronvermelding onder het stuk na te lezen.
Omdat de hoofdpersonen eenvoudige fabrieksarbeiders zijn die op het platteland ergens in het oosten van Nederland wonen worden hun dialogen in een sterk vernederlandst ‘dialect’ geschreven. Daar is voor gekozen teneinde de leesbaarheid van de tekst voor iedereen optimaal te houden. 


 

In de lente van 1934 maakte Meindert Hesselink een keus die grote gevolgen voor hem zou krijgen. Hij sprak er voor het eerst over met zijn kameraden Jan te Kortschot en Hendrik Scholten, net als hij werkloze fabrieksarbeiders die leefden van de armenzorg. “Dat hebt wij allemaal an de crisis te danken,” zei hij. “Wij hebt te min om van te leven en te veul om hen te gaan. Maar ie kunt haaste beter dood wezen as da’j dit leven mot leven.”

Meindert en zijn kameraden waren eind 1932 ontslagen. Net als tienduizenden anderen in Nederland. De crisis waar Meindert op doelde was de beurskrach op Wallstreet. Miljoenen mensen waren in een paar dagen tijd al hun spaargeld kwijt. Aan de lopende band werden er fabrieken gesloten en de lonen gingen omlaag, de prijzen van boerenproducten als tarwe en rogge, boter en varkensvlees daalden met soms meer dan de helft. Voor de boeren lag de afgrond aan hun voeten.
Veel gezinnen leefden in schrijnende armoede en mochten blij zijn als er in hun dorp armenzorg was. Allen leden honger, de kinderen gingen gekleed in vodden en aan de lopende band werden gezinnen uit hun huizen gezet, vanwege huurschulden. Het aantal plaggenhutten op de heide nam in snel tempo toe. De werkelozen moesten twee keer per dag stempelen om te bewijzen dat ze niet illegaal aan het werk waren.

“Ik heb genoeg van dat gestempel,” zei Meindert dat voorjaar. “Ik ga d’r tegen in’t verzet. Ik sluit mij aan bij Mussert.”
Jan te Kortschot keek hem met grote ogen aan.
“Ie denkt toch niet da’j daar beter van wordt Meindert. Hij kijkt alleen maar naar de Duitsers.”
“Ik laat mij neet door die akelige Nauta kleineren,” schreeuwde Meindert terug tot ergernis van de kastelein van café Het Gulle Glas, die geen onrust in zijn etablissement tolereerde.
“Hou asteblief die grote mond wat dicht over dat soort zaken, Meindert, neemt ‘r liever nog een van mij, ik heb vandaag een gelukkie gehad,” zei Jan, die wijselijk niet vertelde dat hij een paar vette hazen had gestroopt en verkocht aan de kok van Hotel de Gouden Leeuw.

Nauta was de burgemeester van Achterveld. Hij was een autoritaire magistraat met de trekken van een dictator. De beide wethouders van Achterveld bogen als knipmessen voor hem. De gemeenteraad likte zijn hielen. De burgemeester had een manier bedacht om een paar gulden op de uitkeringen aan werklozen te besparen. De regeling kwam er op neer dat steuntrekkers die kippen en geiten hielden met minder geld toe konden dan wie geen kippen en geiten had. Dat deze dieren het leven op het platteland wat goedkoper maakten dan in de stad was algemeen bekend en er was in de landelijke regeling dan ook al rekening mee gehouden, maar het weerhield Ties Nauta er niet van de regeling nog wat aan te scherpen.

Meindert wond zich hier zo over op dat hij besloot actief te worden in de Nationaal Socialistische Beweging (NSB) van de Utrechtse ingenieur Anton Mussert. “As d’r  iemand is die dit tij kan keren dan is het Mussert. Di’j anderen hebt allennig maor hun eigen belang voor ogen. Die denkt niet aan kleine leu zo’as ons. Den Mussert zeg teminste wat as ik denke. Het minste dat ik doen kan is um helpen om de macht te kriegen.”

De NSB liet op 14 december 1931 in Utrecht voor het eerst van zich horen middels voornoemde Anton Mussert en Cornelis van Geelkerken, ambtenaar bij provinciale waterstaat. “De massa dient onverwijld tot inzicht gebracht te worden,” was het credo van beide heren. Zij verwezen vooral naar de crisis die (in hun ogen) door het Joodse kapitaal was veroorzaakt. De beweging was, in tegenstelling tot andere politieke partijen geen vereniging, maar een stichting. Op 4 november 1932 werd bij notariële akte de “Stichting Nationaal Socialistische Beweging” in het leven geroepen.

In de statuten van de stichting werd onder meer bepaald dat het bestuur werd gevormd door één persoon, Anton Mussert, onder de titel Algemeen Leider. Mussert was statutair verplicht een Algemene Raad van tenminste vijf personen te benoemen, maar deze raad had geen enkele bevoegdheid, gezien een andere bepaling in diezelfde statuten: Alle besluiten neemt de Algemeen Leider, al of niet de Raad gehoord hebbende.

De NSB wilde zich onderscheiden van de klassieke politieke partijen in Nederland en noemde zich daarom geen partij maar een beweging, die uitging van (en voortdurend uiting gaf aan) het leidend beginsel, dat er voor het zedelijk en lichamelijk welzijn van een volk een aantal voorwaarden van cruciaal belang waren, zijnde:
– een krachtig staatsbestuur;
– zelfrespect van de natie;
– tucht;
– orde;
– solidariteit van alle bevolkingsgroepen.
Bovenal gold daarbij dat
– het nationaal belang boven het groepsbelang ging en
– het groepsbelang boven het persoonlijk belang.

De NSB had dankzij de economische crisis en de onmacht van de politieke democratie om de crisis te keren, de wind in de zeilen. Musserts politieke kleurloosheid en zijn reputatie als degelijke intellectueel en academicus droegen bij aan een sensationeel succes op 16 april 1935. Bij de Statenverkiezingen werd op die dag bijna 8 procent van de stemmen gehaald. Dat zouden in de Tweede Kamer van nu 12 zetels zijn geweest. De beweging vond haar aanhangers vooral onder middenstanders, ambtenaren en kleine boeren. De Liberale Staatspartij en de SDAP waren de grootste leveranciers van NSB-kiezers.

Wordt vervolgd in deel 2: Het ligt aan de regenten in Den Haag

Bronnen:
Depressietijd 1930 in Buitenpost
Nationaal Socialistische Beweging
Cornelis van Geelkerken
Hou zee – 75 jaar NSB
terugblik op nationaal-socialistische propaganda

ScreenHunter_03 Jan. 16 14.21


Afbeelding: Pixabay

.

 

 

Read Full Post »

PVV kamerlid Harm Beertema vind zichzelf waarschijnlijk een toonbeeld van fatsoen. Anders valt niet uit te leggen dat hij leerlingen wil dwingen om “U” te zeggen tegen hun docenten. Overigens wil hij daarmee ook de docenten dwingen om zich met U te laten aanspreken, maar dit terzijde.
Hetzelfde kamerlid vergeleek een dag nadat hij in de tweede kamer was weggehoond Groen Links met de Rode Khmer van Pol Pot. Een beweging die, zoals algemeen bekend, bijna twee miljoen levens op gruwelijke wijze heeft verwoest. Natuurlijk werd hij door kamervoorzitter Verbeet tot de orde geroepen, maar de opmerking was gemaakt en de toon gezet. Het laat zien wat voor vlees men in de kuip heeft met de PVV, een partij waarvan wel eens beweerd is dat zij lijkt op de NSB in de jaren dertig.

En nu wij toch aan het vergelijken zijn geslagen: een samenleving kan worden vergeleken met een schip. Niet voor niets wordt wel gesproken over het “schip van staat.” Wat voor de bemanning op een schip geldt, is eveneens van toepassing op de bemanning van het schip van staat.

Op een schip zijn een aantal zaken van groot belang:

  • een kundig schipper;
  • gedegen kennis van de vaarregels en de vaarwegen;
  • strikte hiërarchie aan boord;
  • het bewustzijn de elementen nooit de baas te zullen worden.

Tezamen moeten officieren en schepelingen voor de gewenste scheepsdiscipline zorgen. In een zeevarende natie als de onze zal niemand deze opsomming betwisten. Hoewel… Harm Beertema c.s. acht ik er goed toe in staat.

In zijn “Tafereelen en merkwaardigheden uit Oost-Indië” * schrijft J. Olivier Jz. “voormaals secretaris te Palembang”:

“In onze tijden, met de aanzienlijke en bewonderenswaardige vorderingen, welke de scheepvaart en de scheepsbouw gemaakt hebben, bij de heilzame verbeteringen in de scheepsdiscipline en in de uitdeeling der levensmiddelen aan de schepelingen (…), bij de naauwkeurige kennis der meest geschikte vaarwaters en koersen, mitsgaders van den juisten loop der voorheen zeer gebrekkig gekende passaatwinden; bij alle deze en meer andere voordeelen, (…) geschiedt de overtogt naar Oost-Indië, zoo als ieder weet, werkelijk in de tijdruimte van negentig of honderd dagen.”

Olivier schrijft dermate lange zinnen dat zijn werk vermoedelijk niet door PVV kamerleden gelezen wordt. Ik som daarom even op wat de factoren zijn die de snelle ‘overtogt’ naar Oost-Indië destijds mogelijk maakten.

  • vorderingen binnen de scheepsbouw;
  • verbeteringen in de scheepsdiscipline;
  • uitdeling van levensmiddelen.

Daarnaast een nauwkeurige kennis van

  • vaarwaters;
  • koersen;
  • windrichtingen.

De schipper op “de Nederlanden” heet Mark Rutte. De bemanning bestaat uit kooplieden en christenen (aangevoerd door de bootsman Maxime Verhagen). De Nederlanden is uitgevaren met een onderbezette bemanning en moet onderweg waar nodig tijdelijke bemanning zien te ronselen. Daarbij kan schipper Rutte (naar eigen zeggen tot tevredenheid) in een aantal havens een beroep doen op het uitzendbureau van Geert Wilders, die heeft toegezegd voor bepaalde etappes een tijdelijke ondersteuningsbemanning te leveren. Maar er zijn ook havens waar Rutte ondersteuning moet zoeken bij lieden die vanaf het begin hebben geroepen dat zijn bemanning en koers niet deugen.

Het mag duidelijk zijn dat de Nederlanden weinig kans maakt deze ‘overtogt’ naar behoren te volbrengen.  Met name onder de christenen rommelt het regelmatig van onvrede. Zij hebben er geen moeite mee als sommige bemanningsleden zwart zijn, terwijl de kooplieden hen het liefst bij een bevoorradingsstop in een Angolese haven van boord zouden zetten.
Recent knarsten echter ook de kooplieden met hun tanden nadat zij de christenen hadden gesteund in hun streven om de weigerambtenaar te handhaven. De kooplieden redeneerden dat je op zee meer hebt aan een vaste koers dan aan principes. Daarbij rekenden zij (ten onrechte naar is gebleken) op medewerking van uitzendbureau Wilders. De stemming aan boord van de Nederlanden heeft volgens de optimistische schipper vooralsnog niet geleden. Hij lacht en haalt steevast de schouders op bij de kritische vragen van de landrotten die voor krant, radio of televisie werken. Voorwaar een schipper die beseft dat rust aan boord van het allergrootste belang is.

Hij weet echter ook dat het uitzendbureau uiteindelijk op zijn ondergang uit is. Kapitein Withaar droomt er van het gezag aan boord over te nemen en zijn eigen mensen op sleutelposities te plaatsen. Te vrezen valt dat de Nederlanden in het (voor schipper Rutte) gunstigste geval in het zicht van de haven van bestemming aan muiterij ten onder zal gaan.

* Tafereelen en merkwaardigheden uit Oost-Indië werd in 1836 uitgegeven door G.J.A. Beijerinck in Amsterdam

.

Read Full Post »